Grondwettelijke Hof vernietigt permanent afwijkende opzeggingstermijnen bouwsector

Grondwettelijke Hof vernietigt permanent afwijkende opzeggingstermijnen bouwsector

In een arrest van 17 september 2015 vernietigde het Grondwettelijk Hof het artikel 70 § 4 van de wet betreffende het eenheidstatuut (26/12/2013). De gevolgen van de bepaling blijven wel gehandhaafd tot 31 december 2017.
De wet betreffende het eenheidsstatuut maakt een einde aan de ongelijke behandeling tussen arbeiders en bedienden. Zo schakelt deze wet o.a. de verschillende opzeggingstermijnen definitief gelijk. Artikel 70 § 4 voorziet echter in een permanent afwijkende regeling wat betreft de opzeggingstermijn voor bepaalde werknemers (en dan vooral de werklieden die onder PC nr. 124 voor het bouwbedrijf vallen). Zij blijven m.a.w. onderworpen aan lagere opzeggingstermijnen. Deze werknemers hebben evenmin recht op een ontslagcompensatievergoeding.

Deze afwijking werd in het wetsontwerp verantwoord door ‘het zeer specifieke stelsel van waarborg van bestaanszekerheid dat deze bouwarbeiders beschermt, en dat gekoppeld is aan een tewerkstelling in de sector (niet gekoppeld aan één werkgever), waar het verlies van werk zo wordt opgevangen.’

Het GwH, dat in de eerste plaats al aanzet gaf tot het wegwerken van de historisch gegroeide ongelijke behandeling tussen arbeiders en bedienden, besliste nu dat deze permanent afwijkende behandeling van bepaalde werknemers een schending inhoudt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Deze beslissing komt niet geheel onverwachts. Zo adviseerde de Raad van State al in zijn advies op het wetsontwerp dat deze uitsluiting van onbepaalde tijd mogelijks in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. Vooral het feit dat de uitsluiting voor onbepaalde tijd geldt is problematisch.