Bomen en hagen

Bomen en hagen

Bomen en hagen durven bij buren al eens hinder en frustraties veroorzaken. Denk bijvoorbeeld aan het verlies van zonlicht of bovenmatige bladval. De wetgever heeft reeds in 1886 met het Veldwetboek regels uitgevaardigd over de afstand waarop bomen en hagen mogen worden ingeplant ten opzichte van de scheidingslijn, om op die manier te trachten de overlast tot een minimum te beperken. Hierbij werd wel enige appreciatiemarge gelaten aan de vrederechter.

Artikel 35 van het Veldwetboek bepaalt dat hoogstammige bomen slechts op een volgens een ‘vast en erkend gebruik’ bepaalde afstand mogen worden geplant. Indien er geen dergelijk gebruik bestaat, moeten hoogstammige bomen op ten minste 2 meter van de afsluitingslijn worden geplant. Bij laagstammige bomen wordt deze afstand bepaald op een halve meter.

Indien niet voldaan is aan deze wettelijke vereisten, kan de buur de rooiing van de bomen eisen.

In een recente zaak werd onze cliënt geconfronteerd met door zijn buur aangeplante leilindes. De bomen stonden op ongeveer een halve meter van de scheidingslijn en waren tussen de 4 en 5 meter hoog.

De vrederechter te Boom stelde vast dat er binnen zijn kanton geen vast en erkend gebruik gold wat betreft de afstand, zodat de wettelijke afstanden van 2 resp. een halve meter moesten worden gerespecteerd.

Vervolgens stelde zich de vraag of er in casu sprake was van een hoogstammige of een laagstammige boom. De vrederechter oordeelde dat een boom hoogstammig is indien de volledige boom hoger is dan 3 meter. Vervolgens concludeerde hij dat de leilindes waren aangeplant met miskenning van de wettelijke vereisten, en veroordeelde hij de buurman van onze cliënt tot het rooien van deze leilindes.